Verzetperikelen

Kan er nog verzet worden ingesteld door een consument tegen een tegen hem gewezen verstekvonnis waaruit blijkt dat er geen ambtshalve toetsing heeft plaatsgevonden? De Hoge Raad heeft onlangs hierover een prejudiciële vraag beantwoord.

Verzetperikelen

De Hoge Raad beantwoordt op 24 november 2023 (HR:2023:1627) de prejudiciële vraag van de kantonrechter Amsterdam (3 maart 2023, RBAMS:2023:1208) of de wettelijke verzettermijn buiten toepassing moet blijven als uit een bestreden verstekvonnis niet blijkt of de rechter heeft onderzocht of de toegewezen vordering is gebaseerd op een overeenkomst waarin een of meer oneerlijke bedingen in de zin van de Richtlijn oneerlijke bedingen. Het antwoord luidt: nee! Er kan geen verzet meer worden ingesteld als de rechter niet ambtshalve getoetst heeft.

De ambtshalve toetsing in consumentenzaken brengt niet met zich dat als uit het verstekvonnis niet blijkt of de rechter dit onderzoek heeft verricht en de wettelijke verzettermijn ongebruikt is verstreken, de termijn van art. 143 leden 2 en 3 Rv buiten toepassing moet blijven. Het Unierecht staat in een dergelijk geval niet eraan in de weg dat het verstekvonnis in kracht van gewijsde gaat, en als zodanig niet meer ter discussie kan worden gesteld. Volgens vaste rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie is met het Unierecht verenigbaar dat in het belang van de rechtszekerheid redelijke beroepstermijnen worden vastgesteld die gelden op straffe van verval van recht. Volgens het HvJEU geldt dat het “om zowel de stabiliteit van het recht en van de rechtsbetrekkingen als een goede rechtspleging te garanderen, van belang is dat rechterlijke beslissingen die definitief zijn geworden nadat de beschikbare beroepsmogelijkheden zijn uitgeput of na afloop van de voor het instellen van deze beroepen voorziene termijnen, niet meer opnieuw in geding kunnen worden gebracht”.

Het HvJEU erkent dus het belang van het beginsel dat rechterlijke uitspraken naar nationaal recht kracht van gewijsde krijgen als de termijn voor het aanwenden van een rechtsmiddel daartegen ongebruikt is verstreken. Het Unierecht gebiedt de nationale rechter dan ook niet nationale procedureregels waardoor een beslissing kracht van gewijsde krijgt buiten toepassing te laten, ook al zou daardoor een schending van een bepaling van Unierecht kunnen worden opgeheven. De bescherming van de consument is in dit verband niet absoluut.

De Hoge Raad overweegt verder dat de vraag of aan het in kracht van gewijsde gegane verstekvonnis (waaruit blijkt dat er geen ambtshalve toetsing heeft plaatsgevonden) gezag van gewijsde toekomt in een andere procedure tussen dezelfde partijen, een andere kwestie betreft. Mocht het verstekvonnis geen gezag van gewijsde hebben, kan de oorspronkelijk gedaagde opnieuw in een andere door hem te beginnen procedure de oneerlijkheid van bedingen door de rechter laten toetsen. De toetsing kan in een latere procedure alsnog verricht worden. Op deze wijze kan een verstekvonnis in een andere procedure toch onderuit worden gehaald. De Procureur-Generaal M.H. Wissink acht dit mogelijk (PHR:2023:817).